Gezonde economie!

De associatieve economie

 
Als een land- of tuinbouwer door de handelsorganisaties waaraan hij zijn producten levert, onder druk wordt gezet om steeds hogere opbrengsten af te leveren tegen steeds lagere prijzen, dan wordt hij gedwongen om op een industriële, niet-organische manier met zijn gewassen en dieren en met het milieu om te gaan. Dat is echter precies wat concurrentie en winstmaximalisatie in het huidige economische leven bewerken. In het anonieme ‘vrije’ marktgebeuren zien we dan steeds weer hoe producten van hogere kwaliteit het veld moeten ruimen voor producten van lagere kwaliteit, omdat die goedkoper kunnen worden aangeboden.
 
Als we op onze meer dan veertig jaar ervaring als natuurwinkeliers terugblikken, zien we dat de kwantiteit aan biologische* levensmiddelen en de mogelijkheden om ze je aan te schaffen, gigantisch zijn toegenomen. Waar het echter de evolutie van de kwaliteit betreft, zijn er een aantal ‘donkere randfenomenen’ opgedoken. Daarmee bedoelen we geenszins dat het concept ‘biologisch*’ niet deugt of in waarde is gedaald. Er is echter een 'grijze zone' ontstaan.
 
Het gebruik van genetisch gemanipuleerde planten en dieren is weliswaar in de biologische* landbouw niet toegelaten, maar er wordt wel veelvuldig gebruik gemaakt van hybride, niet-zaadvaste plantenrassen die grotere opbrengsten hebben maar aantoonbaar minder vitaal zijn. Ook is er in de biologische* veeteelt niet steeds de aandacht voor het dierenwelzijn die je idealiter zou wensen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het veelvuldig onthoornen van koeien, in tegenstelling tot wat veel mensen denken een ingrijpende verminking.
 
Nog duidelijker is dat waar te nemen bij de verwerkte producten. Zo vind je op de markt inferieure producten die wel het Europese bio-label dragen omdat ze zijn samengesteld uit ingrediënten van biologische* oorsprong, maar die niets voorstellen, bijvoorbeeld ‘vruchtensappen’ die in werkelijkheid bestaan uit suikerwater met een smaakje. Ook wordt bij de verwerking van biologische* producten het gebruik van een aantal additieven toegelaten die volgens sommige onderzoekers lang niet allemaal onschuldig zijn.
 
Kortom: het biolabel is geen echte garantie voor levensmiddelenkwaliteit. Op al deze punten scoort Demeter althans gemiddeld veel beter.

Hoe komt dat nu? Kort geformuleerd: de overgang van chemische naar biologische landbouw moet gelijk opgaan met een overgang van vrijemarkteconomie naar associatieve economie. In het onderstaande schema hebben we geprobeerd één en ander samen te vatten.

 
Er valt een opmerkelijke parallel te ontdekken tussen wat zich in de chemische landbouw en in de hedendaagse vrijemarkteconomie afspeelt. Het winstbejag, het streven naar persoonlijk gewin dat ondernemers ertoe aanzet zoveel mogelijk te produceren en aan de man te brengen, speelt in de economie net zo’n ‘procesopjagende’ rol als kunstmest in de landbouw. Zowel de chemische landbouw als de vrijemarkteconomie werken met een strijdmodel: in de landbouw tussen mens en natuur, in de economie tussen mensen onderling.
 
De transitie van chemische naar biologische* landbouw is, hoewel nog voor veel mensen allesbehalve vanzelfsprekend, in principe gemaakt. Maar de transitie van vrijemarkt- naar associatieve economie is vooralsnog niet mee voltrokken. Bijgevolg raakt de groeiende biologische* landbouw steeds meer verknoopt met de vrijemarkteconomie. De ongeschiktheid van deze combinatie is al honderden malen (onder andere maar zeker niet alleen door boeren) gesignaleerd.

In de toekomst zal het principe van de ‘vrije markt’ plaats maken voor een associatieve economie, die gebaseerd is op onderling overleg tussen consumenten, handelaren en producenten, en waarin het streven naar winst op zich geen rol van betekenis meer zal spelen.

In deze nieuwe vorm van economie neemt de handel bewust een bemiddelende en verbindende positie in tussen consumenten en producenten. Het uitgangspunt voor dit overleg is even logisch als eenvoudig: de drie partijen gaan met elkaar ‘rond de tafel zitten’ om eerst te kijken wat er werkelijk aan producten nodig is en om vervolgens met elkaar af te spreken welke en hoeveel producten er gemaakt en verhandeld zullen worden en welke prijzen ze zullen hebben. Door zo’n overleg kunnen veel nutteloze kosten en verspilling vermeden worden, waardoor de prijzen van de producten niet hoger worden dan nodig is. Anderzijds mogen de prijzen echter ook niet lager zijn dan nodig is, omdat dit uitbuiting tot gevolg zou hebben. In feite is associatief overleg de enige aanpak die uitbuiting (bijv. van de boeren zowel hier als in de derde wereld) onmogelijk maakt.

Het zal nog wel even duren voordat zo’n handel en economie op wereldschaal tot stand zijn gekomen. Als we de biologisch*(-dynamisch)e landbouw echte toekomst-perspectieven willen geven, kunnen we toch niet anders doen dan op dit moment alvast de kiemen voor zo’n nieuwe economie leggen en verzorgen.

Vanuit die nood zijn er ook al heel wat initiatieven genomen om consumenten op een direkte manier te betrekken bij een land- of tuinbouwbedrijf waar zij hun voedingsmiddelen vandaan halen: CSA- of Pergola-boerderijen bijvoorbeeld. Tussen-handel wordt daarbij zoveel mogelijk vermeden.

We leven echter in een wereldeconomie, waarin daadwerkelijk iedereen van iedereen afhankelijk is geworden. En omdat we het tenslotte in onze samenleving dus ook niet zonder handel kunnen stellen, houden we nog als belangrijke taak over om ook voor de handel nieuwe vormen te vinden en tot ontwikkeling te brengen.
 
* De term(en) 'bio(logisch)' worden in deze teksten uitsluitend in hun inhoudelijke betekenis gebruikt. Omdat ze onvoldoende tegemoet komen aan onze visie over levensmiddelenkwaliteit, hanteren wij ze in onze winkel niet als kwaliteitslabel. De Blauwe Bloem is dus geen 'biowinkel'.


Volgende pagina: Gezonde praktijk