Een nieuwe Economie op Basis van Onderlinge Betrokkenheid.

                                                                                                           

De Economie in de 21ste eeuw:

     Als we de huidige wereldsituatie op het vlak van economie willen kenschetsen, dan springt het meest in het oog dat de mensen wereldwijd van elkaar afhankelijk zijn geworden. Dat ik voedsel kan nuttigen, kleren kan dragen, in een huis kan wonen, met een trein kan reizen,… dat alles is mij door andere mensen mogelijk gemaakt. En als ik zelf als producent in het economische leven sta, dan zijn de producten of prestaties die ik tot stand breng, niet voor mijzelf, maar voor anderen bedoeld. De meeste mensen worden zich zelden van dit simpele feit bewust doordat ze gewend zijn denken dat ze werken om geld te verdienen, dus voor zichzelf en niet voor de ander!

     Als ik heb geleerd om uit te gaan van het basisgegeven van de onderlinge afhankelijkheid, dan zal ik, als ik daar op een volwassen manier mee om wil gaan, ook een stukje verantwoordelijkheid willen nemen voor de vele medemensen die het mogelijk maken dat ik mijn behoeften aan voedsel, kleding enz. kan bevredigen. In het dagelijkse persoonlijke leven is het nemen van verantwoordelijkheid bij het stellen van daden voor de meeste mensen iets vanzelfsprekends: wie zou er voor zijn eigen of voor andermans kinderen een ondeugdelijke en dus onveilige tuinschommel willen installeren?

     Als wij als consument echter ons een product aanschaffen of van een prestatie gebruik maken, dan blijven de meeste mensen die hebben meegewerkt aan het tot stand komen daarvan (de boer, de fabrieksarbeider, de treinbestuurder...) in de anonimiteit. Daarmee verdwijnen ook de gevolgen van onze koopdaden voor deze medemensen uit ons gezichtsveld. De ondoorzichtige, op het eigenbelang gestoelde structuren van de vrijemarkteconomie  maken het ons als klant in bijna alle gevallen onmogelijk om ons voor deze mensen medeverantwoordelijk te voelen, ook al zouden we dat willen. En dan blijft er niet veel anders meer over dan voor onszelf te zorgen (wat op zich natuurlijk volkomen legitiem is) en voor het product of de prestatie zo weinig mogelijk te betalen.

     Willen wij echter ook verantwoordelijkheid nemen voor onze dagelijkse koopdaden, dan zullen wij voor datgene wat we ons aanschaffen, een prijs willen betalen waardoor de mensen die het product of de prestatie leveren, van de opbrengst daarvan kunnen leven. Betalen wij immers voor een product te weinig, dan veroorzaken wij ergens op de wereld nood en ellende, want het betekent onvermijdelijk dat mensen worden uitgebuit.


Een klein stukje Geschiedenis
:

     De vrijemarkteconomie (het  kapitalisme) en de stoommachine zijn in hetzelfde jaar 1776 ‘geboren’. Vandaag  denkt niemand er meer aan nog een nieuw type stoomlocomotief te ontwikkelen; de stoommachine heeft z’n tijd allang gehad. Aan het wezen van het kapitalisme is echter al sinds 235 jaar niet geraakt; hoogstens  zijn een aantal kwalijke uitwassen ervan symptomatisch bestreden of ingedijkt. Men gaat nog steeds uit van het basisprincipe ‘ieder voor zich’ en van de stelling dat concurrentie op de vrije markt welvaartsverhoging bewerkt.

     Deze stelling is van filosofisch-menswetenschappelijke zijde reeds lang weerlegd, maar het strijdmodel blijft ex- of impliciet het denken van economen, politici en anderen beheersen. In tegenstelling tot wat deze mensen ons in boeken, folders, kranten en toespraken nog steeds willen doen geloven, richt concurrentie in het economische leven immense schade aan in het sociale organisme. Dat organisme omvat sinds wij in een wereldeconomie leven (zo’n honderd jaar), de gehele wereldbevolking. De schade uit zich in diverse aspecten: overproductie, verspilling van grondstoffen, nutteloze kosten, aantasting van het natuur- en cultuurmilieu en uitbuiting van de medemens. Een economie gebaseerd op concurrentie stelt immers winstbejag als primaire doelstelling voorop en kan slechts voor een beperkte groep mensen welvaartsverhoging bewerken ten koste van andere mensen, zowel hier als in derdewereldlanden. Hoe kunnen we daaraan ontkomen?

      Sinds ongeveer twintig jaar geleden de communistische planeconomie het op grote schaal heeft laten afweten, wordt met meer arrogantie dan ooit het kapitalisme als enig overblijvend alternatief gehuldigd. Wie daar nog openlijk twijfels over laat horen, wordt voor wereldvreemd aanzien of minstens verweten in de jaren zestig van de vorige eeuw te zijn blijven hangen. Uit het failliet van het communisme leidt men af dat alleen de kapitalistische vrije markt heiligmakend is. Dat is echter even onlogisch als beweren dat iemand die niet met warm weer uit de voeten kan, onmogelijk Italië kan bezoeken; men gaat dan immers voorbij aan de mogelijkheid om ’s winters naar Italië te gaan!


Associatieve Economie
:

     Een terugkeer naar het ambacht en de zelfverzorging, hoe verrijkend wellicht (als hobby bijvoorbeeld) voor onze persoonlijke ontwikkeling, kan nooit het uitgangspunt vormen voor een volgende stap in de ontwikkeling van het economische leven. Een nieuwe economie die aan de sociale eisen van deze tijd tegemoet komt, zal nl. in geen geval de positieve verworvenheden van het kapitalisme (zoals de consumptievrijheid, het privé-ondernemerschap en het inzetten van technische productiemiddelen) aan de kant mogen zetten.

     Het  principe  van  de  concurrentie  echter  hoort  in  een  gezonde  economie  helemaal niet thuis. Eénieder die onbevooroordeeld en met wat gezond verstand naar het huidige economische leven kijkt, moet trouwens wel tot de conclusie komen dat de wilde concurrentiedans op de zgn. vrije markt tot chaos leidt en tot een enorme verspilling aan grondstoffen, arbeidskracht en geld. Concurrentie moet daar plaats maken voor intelligentie, voor overleg tussen producenten, handelaren en consumenten in zgn. associaties. Het is essentieel dat ook de klanten als gelijkwaardige partij (en dus niet louter als afnemers van wat de producenten en handelaren voor hen bedacht hebben) bij die overlegorganen actief betrokken zijn. Het enig zinvolle uitgangspunt voor economische productie en handel is immers wat mensen werkelijk nodig hebben, anders gezegd de reële, uitgesproken  consumentenbehoefte.

     In elke tak van het economische leven komen dan in de genoemde associaties besprekingen op gang over hoe de productie en de handel zo doelmatig mogelijk op de echte behoeften zijn af te stemmen. Uit de gevoerde onderhandelingen resulteren tenslotte afspraken over:

  • ·      wat en hoeveel er geproduceerd en verhandeld zal worden;
  • ·      hoe de afname- en leveringsvoorwaarden zullen zijn;
  • ·      welke kwaliteit de geleverde producten zullen hebben;
  • ·      welke investeringen voor de productie en verhandeling nodig zijn en hoe die gefinancierd zullen worden;
  • ·      welke prijs de producten zullen hebben.

     Een aantal factoren waarvan de regeling buiten de actieradius van de economie valt, zoals het klimaat, de aanwezigheid van grondstoffen, inkomensafspraken… gelden daarbij als randvoorwaarden. Daarnaast zullen nog allerhande overwegingen inzake bijv. de arbeidsomstandigheden van de mensen die bij de productie en de verhandeling zijn betrokken, of de consequenties van een productiemethode voor het milieu, een rol spelen in de oordeelsvorming en bij het maken van keuzes.

     Zo eenvoudig als dit in zijn essentie in te zien is, zo moeilijk is het te realiseren. Dat komt niet door praktische belemmeringen, maar in eerste instantie doordat bepaalde denkgewoonten, die zich door generaties heen hebben gevormd, ons beletten om de omslag te maken naar een nieuw economisch denken, waarbij niet het geld, maar de mens centraal staat. De denkpatronen die gewoonlijk ons economisch handelen bepalen, zijn namelijk doorweven met enkele hardnekkige dogma’s (ingeroeste ‘vanzelfsprekendheden’), waarvan de twee belangrijkste zijn:

  • ·      dat klanten hun eigen behoeften niet kunnen of willen bepalen,  en
  • ·      dat mensen alleen uit eigenbelang voor geldinkomen willen werken.


Experimentele Ontwikkelingen
:

     Dat de behoefte om tussen consument en producent over en weer verantwoordelijkheid te nemen bij steeds  meer mensen leeft,  blijkt uit de  toenemende onvrede met de gangbare handels- en distributiekanalen  met name in de voedselbranche. Misschien  treedt het hier het eerst aan de dag omdat we bij voedsel met een basisbehoefte te maken  hebben. Voorts  wordt het ook  steeds duidelijker dat de voedingskwaliteit van onze met de gangbare landbouwmethodes geproduceerde levensmiddelen onrustbarend achteruit gaat. Calamiteiten in de veeteelt zoals het uitbreken van mond- en klauwzeer, gekke-koeien-ziekte en varkenspest maken het plaatje kompleet. Wij zien dan ook sinds een aantal jaren dat mensen elkaar vinden in nieuwe vormen van  samenwerking tussen producent (boer) en klant (verbruiker), waarbij een band van vertrouwen kan ontstaan en geen roofbouw wordt gepleegd op natuur en cultuur.

     Zo hebben reeds vele duizenden klanten zich een groente-abonnement aangeschaft, waarmee ze zich verbinden om gedurende een afgesproken tijd de producten van een land- of tuinbouwbedrijf af te nemen tegen een vaste prijs per groentepakket. De samenstelling van dat pakket wordt doorgaans door de boer of tuinder bepaald en wisselt  uiteraard met de seizoenen. Een stap verder gaan de voedselteams en de Pergola-‘associaties’ (in de Verenigde Staten bekend als CSA - Community Supported Agriculture). Daarbij nemen  de consumenten ook een stuk directe verantwoordelijkheid  voor de boer die voor hen teelt, door zich ertoe te verbinden gezamenlijk alle bedrijfskosten en inkomens op te brengen.

     In het algemeen hebben deze vormen waarbij met standaardpakketten wordt gewerkt, het nadeel dat ze onvoldoende aan de individuele behoeften van de klanten tegemoet kunnen komen: een veganist heeft nu eenmaal andere noden op het vlak van voeding dan een niet-vegetariër. Men zal dit bezwaar misschien gaarne op de koop toe willen nemen als men het enthousiasmerende gevoel heeft mee te kunnen werken aan iets sociaal zinvols, waarbij de directe relatie van mens tot mens als zeer bevredigend ervaren wordt.

     Nu hebben de meeste van deze samenwerkingsvormen als kenmerk dat de handel als autonome tussenschakel in het economische proces min of meer wordt geëlimineerd. Willen wij echter werken aan een duurzame economie die aan de eisen van onze tijd tegemoet komt, dan is dat zonder een wijdvertakte handel onmogelijk. Dit aspect wordt vaak onderschat: ook als wij op een bepaald gebied de tussenhandel omzeilen, blijven wij voor tenminste 95 % van onze behoeften toch van de handel afhankelijk.

     Wij leven nu eenmaal in een wereldeconomie en kunnen de uitdagingen die daarmee verbonden zijn, niet uit de weg gaan. Daarom zal het in ieder geval óók nodig zijn om de handel zelf vanuit nieuwe inzichten om te vormen. Het is zelfs de hoogste tijd dat dit gebeurt! We zullen nu bij wijze van illustratie een initiatief voor het voetlicht plaatsen waar sinds zeventien jaar aan een vernieuwde handel wordt gewerkt die gebaseerd is op de uitgangspunten van de associatieve economie.


Een nieuwe Verbinding tussen Klant en Winkelier
:

     De Blauwe Bloem is een winkel in het hart van Gent, waar al sinds 1976 voornamelijk levensmiddelen van overwegend Demeter*-kwaliteit verkocht worden. Na twaalf jaar praktijk waren de medewerkers van de winkel  ervan  overtuigd  geraakt dat zij hun  eigenlijke  doelstelling: het verstrekken van voedingsmiddelen van hoge kwaliteit op basis van de werkelijke behoeften van de klanten, niet konden realiseren binnen de gangbare economische structuren, die door eigenbelang en concurrentie worden beheerst. Daarom besloten zij begin 1988, geïnspireerd door het gedachtegoed van de associatieve economie, de winkel om te schakelen naar een totaal nieuwe werkwijze.

     Het basisgegeven van de onderlinge afhankelijkheid is in een winkel eigenlijk heel tastbaar aanwezig. Immers de klant heeft behoefte aan producten die de winkelier hem kan bezorgen, de winkelier heeft om het werk voor de klanten te kunnen doen, een inkomen nodig dat zich uit de prijzen van de verkochte producten moet vormen. De typische structuur van de winkel, die in de volgende paragrafen kort zal worden geschetst, is een hulpmiddel om deze onderlinge afhankelijkheid tussen klant en winkelier zichtbaar en daarmee  ook  bewust  hanteerbaar  te  maken.  Uit  de  inmiddels  meer dan drieëntwintigjarige praktijk van deze nieuwe werkwijze is duidelijk gebleken dat klanten daar ook echt naar op zoek zijn!


Verantwoordelijkheid van de Winkelier in de Boodschappenstroom
:

     Om de winkelier toe te laten de productenstroom zo efficiënt en zinvol mogelijk te organiseren, geven de klanten van te voren aan wat zij voor een volgende winkeldag aan boodschappen nodig hebben. Dat vergt oefening en lijkt in het begin wel eens onbegonnen werk. De gangbare economische structuren richten zich immers middels reclame- en andere technieken vooral op het begeerteleven van de mens. Zo hebben we als consumenten grondig afgeleerd om na te denken over onze werkelijke behoeften. Dat heeft gaandeweg geleid tot de dogmatische opvatting dat klanten niet in staat of bereid zijn om hun eigen behoeften  te  bepalen  en  dat  producenten  en  handelaars  hun  die  behoeften  aan  moeten praten.

     In De Blauwe Bloem proberen we deze vicieuze cirkel te doorbreken. Als de winkelier van de klanten werkelijk uitgesproken vragen krijgt, kan hij/zij daarvoor ook verantwoordelijkheid nemen (letterlijk: in staat zijn een antwoord te geven). Alle vakbekwaamheid kan dan gericht ingezet worden om ervoor te zorgen dat de klanten inderdaad datgene krijgen waar ze om vragen. In de winkel heeft elke klant een eigen vak waarin de boodschappen vóór openingstijd worden klaargezet. Als de klant die boodschappen ophaalt, kan hij/zij uit de restvoorraad die in de winkel ontstaat door het overwegend bij de groothandel afnemen per omverpakking, eventueel nog bijkopen als hij/zij onverwachts meer nodig heeft dan voorzien. In bepaalde probleemgevallen (bijvoorbeeld ziekte van de klant) zal de winkelier desnoods (een deel van) de bestelde boodschappen terugnemen. Het vooruitbestellen laat dus nog veel speelruimte over.


Verantwoordelijkheid van de Klant in de Koopgeldstroom
:

     Het doorzichtig en daarmee hanteerbaar maken van de goederenstroom is één kant van de zaak. We moeten echter ook de tegenpool daarvan, namelijk de geldstroom aanpakken om ervoor te zorgen dat het geld geen sturende, maar een dienende rol in het economische gebeuren gaat spelen. In de gangbare handel worden over de productprijzen geen afspraken gemaakt tussen klant en winkelier. Daardoor is deze genoodzaakt aan de klanten zoveel mogelijk te verkopen in de hoop daarmee voldoende ‘winst’ over te houden en zich tegen onzekerheden in te dekken.

     Het draaien van omzet, het realiseren van winst wordt dan voor de  handelaar een  doel op  zich en  de echte  behoefte van  de klant wordt  daardoor naar de achtergrond gedrongen. Hier hebben we te maken met een andere dogmatische opvatting, die zeer diep in ons denken is geworteld, namelijk dat een mens werkt om geld te verdienen, dus voor zichzelf. In onze samenleving kan echter niemand voor zichzelf werken; puur feitelijk is dat al lang niet meer mogelijk!

     In De Blauwe Bloem pogen we ook dit dogma te ontkrachten. In werkelijkheid werkt een winkelier immers niet voor zichzelf, maar voor zijn klanten. Natuurlijk moet hij of zij wel over voldoende inkomen kunnen beschikken, zodat hij/zij in staat is gesteld om te zorgen voor datgene waar de klanten om vragen. Om dit hanteerbaar te maken is in De Blauwe Bloem het prijsgedeelte waaruit zich het inkomen van de winkelier(s) samenstelt, uit de eenheidsprijs van de producten losgemaakt. Dit gedeelte van de prijs noemen we medewerkersgeld; de klanten betalen het niet bij het afrekenen van hun boodschappen, maar apart daarvan éénmaal per maand.

      Om de zes maanden wordt met elke klant  een afspraak  gemaakt over de hoogte van zijn/haar bijdrage aan medewerkersgeld, rekening houdend met de waardering die de klant heeft voor het winkelwerk en  met de soort en de hoeveelheid werk die hij/zij van de winkeliers vraagt. In beperkte mate kan ook het eigen inkomen van de klant daarin een rol spelen. Gezamenlijk staan daarmee de klanten garant voor het inkomen van de winkeliers. Hier is het dus de klant die door het betalen van een juiste prijs een stukje verantwoordelijkheid neemt voor de winkeliers.


Samenwerking met de Producent
:

     Vanaf het begin van de nieuwe werkwijze van De Blauwe Bloem, nu ruim achtentwintig jaar geleden, lag het in de bedoeling om ook één of meer producenten zoals telers van biologisch(-dynamisch)e groente en fruit en de groothandel daarbij te betrekken. Eerst was het echter noodzakelijk om een tijdlang onze volle aandacht aan de praktijk van de winkel te besteden. Wel liepen er al snel afspraken op langere termijn met een fabrikant van bijenwaskaarsen en met een biologisch-dynamisch werkende imker.

     Sinds ruim zeventien jaar is het echter zover dat wij het proces door hebben kunnen trekken naar de productiekant door met enkele biologisch(-dynamisch)e land- en tuinbouwbedrijven tot overleg en afspraken te komen. De meeste klanten van De Blauwe Bloem blijken nu door hun jarenlange ervaringen met bestellen op korte termijn best in staat te zijn om ook globale afname-toezeggingen te doen voor de hoeveelheden groente, fruit, kaas en enkele andere producten, die zij in het komende seizoen, dus over een langere termijn, nodig zullen hebben. Wij kunnen daarmee de afname van die hoeveelheden aan de telers garanderen. Daarbij wordt ook van te voren voor elke teelt met de producent een prijsafspraak gemaakt in de lijn van de medewerkersgeld-gedachte. Dat wil zeggen dat die prijzen zo moeten zijn dat daaruit alle productiekosten gedekt én voldoende inkomen voor de boer gevormd kunnen worden.

     Deze gedachtegang blijkt bij sommige mensen in eerste instantie een zekere angst op te roepen omdat ze denken dat hier veel te hoge prijzen uit voort zullen vloeien. Uit de praktijk  is echter duidelijk gebleken  dat die angst ongegrond is. Het tegendeel  is waar: hoe beter het lukt om tot goede afspraken te komen tussen telers, winkeliers en klanten, hoe minder onzekerheden, risico’s, verspilling en nutteloze kosten er zijn. Daardoor vertonen de prijzen juist een tendens om te dalen zonder dat echter daardoor ook maar iemand tekort wordt gedaan!


Sociale Processen - Conclusie
:

     De Blauwe Bloem is een oefenplek, een experiment, een soort laboratorium zou je ook kunnen zeggen, waar processen tussen mensen op gang kunnen komen. Die processen hebben tijd nodig, vaak veel tijd zelfs, want het afstand doen van vooroordelen die al sinds generaties zijn opgebouwd, is geen eenvoudige zaak. Maar het is wel een zeer leerzaam proces, dat een grote mate van voldoening kan geven voor klanten, winkeliers en producenten! Tussen alle betrokkenen kan een open, zakelijke relatie ontstaan op basis van vertrouwen en verantwoordelijkheid over en weer: de twee sleutelwoorden voor een nieuwe economie.

     Vooralsnog  hebben  we  dus  met  soms  wat  moeizaam  pionierswerk  te  maken. Maar dat hoeft ons helemaal niet te ontmoedigen. In de zeventiende eeuw, de tijd van expansief kolonialisme, begonnen zich in het economische leven de eerste handelsondernemers zelfstandig op te stellen. Zij wilden zich niet langer voegen in het enge keurslijf van beperkende gildenvoorschriften, maar in vrijheid naar hun eigen inzichten handel drijven en de risico’s daarvan op de koop toe nemen. Deze eerste zelfstandige ondernemers werden alom uitgelachen en geminacht, als vrijbuiters  gebrandmerkt, op vele manieren tegengewerkt. Omdat zij eenmaal de vrijheid hadden geproefd, hebben zij ondanks mislukking en teleurstelling toch steeds weer doorgezet.

      Kijken we nu, vierhonderd jaar later, naar de samenleving met zijn drie krachtenvelden, dan kunnen we constateren dat:

¨    in het geestesleven het fundament van de vrijheid is gelegd: we zijn niet langer gebonden aan dwingende leerstellingen van de kerk, maar aan onze eigen individuele ideeën, inzichten, overtuigingen en impulsen;

¨    in het rechtsleven de gelijkheid van alle mensen van kracht is: hoewel de algemene mensenrechten vooralsnog veel beter geformuleerd dan gerealiseerd zijn, hebben de oude voorrechten op basis van stands- en klasseverschillen afgedaan;

¨    de tijd nu aangebroken is om in het economische leven te gaan werken aan de broederschap, het derde ideaal van de (onvoltooid gebleven) Franse Revolutie.

© Tekst: Luuk Humblet & Mia Stockman
© Illustraties: Jeroen Frateur en Laurence de Craene


*  is het internationaal gedeponeerde kwaliteitsmerk voor producten uit de biologisch-dynamische (bd) land- en tuinbouw.

 



Volgende pagina: Werken aan een Nieuwe Relatie tussen Klant en Winkelier