Levensmiddelen?

De kwaliteit van ons voedsel

Bio is ‘in’. Steeds meer mensen hebben hun bedenkingen gekregen bij de aanwezigheid van (residuen van) schadelijke stoffen in onze voeding. Ook het veelvuldig toevoegen van scheikundige bewaar-, kleur- en smaakstoffen aan voedingsmiddelen en de onduidelijkheid omtrent de gevolgen van het gebruik van genetisch gemanipuleerde organismen in onze voeding roepen vele vragen op. Eén en ander brengt consumenten ertoe over te schakelen naar levensmiddelen die van gecertificeerd biologische of ekologische kwaliteit zijn.

Hoe positief deze ontwikkeling ook is, er is hierdoor toch een wat eenzijdige kijk ontstaan op het vraagstuk van voeding en gezondheid. Het ontbreken van schadelijke stoffen in ons voedsel (je hoort wel eens het woord ‘onbespoten’ vallen) is namelijk niet voldoende om van volwaardige voeding te kunnen spreken. We vragen ons vaak alleen maar af wat een voedingsmiddel niet mag bevatten, maar minstens zo belangrijk is de vraag wat het wel moet bevatten.

De natuurwetenschap heeft ons in dat verband geleerd om te denken in termen van bouwstenen of componenten, die bij chemische analyse van een voedingsmiddel gevonden kunnen worden. Van alleen maar eiwitten, vetten, koolhydraten, mineralen en vitamines kan een mens echter niet leven, in ieder geval niet gezond blijven. Die componenten zijn natuurlijk wel belangrijk, maar ze vertegenwoordigen in het voedsel eigenlijk alleen het aspekt ‘vulling’. Wat een voedingsmiddel echt tot een levensmiddel maakt, is de levende samenhang van die componenten. We kunnen dit vergelijken met een schilderij, dat uit een compositie bestaat en niet alleen uit verf van verschillende kleuren. Zo is ook de kwaliteit van een levensmiddel niet alleen bepaald door de materie die erin zit, maar mede door de levenskrachten van het organisme (plant of dier) waar het middel van afkomstig is.

Een voorbeeld kan dit wat duidelijker maken. Gerekend vanaf de zaai heeft een krop sla in normale, gunstige omstandigheden in de volle grond acht à negen weken nodig om ‘volwassen’ te worden. Onder industriële omstandigheden lukt dat met kunstmest al in vier à vijf weken. Aan verschillende dingen is echter af te lezen dat zo’n industrieel geteelde sla maar weinig levenskracht heeft. Hij wordt makkelijk aangetast door allerlei parasitaire organismen (insecten, schimmels, bacteriën…) en moet daar met chemische middelen tegen beschermd worden. Zo’n slaplant blijkt dan, als hij niet geoogst wordt, vaak ook niet in staat te zijn om zich voort te planten door kiemkrachtig zaad te vormen. Ook voor ons mensen kan zo’n krop sla geen volwaardig levensmiddel zijn.

Als het om vleesvoeding gaat, is het begrijpelijk dat het dier waar het vlees van afkomstig is, zelf goed voedsel moet hebben gekregen. Het is echter daarnaast voor de voedingskwaliteit van vlees ook van belang dat het dier ‘een goed leven heeft gehad’.

Erg belangrijk is dus de manier waarop planten en dieren die ons voedsel verschaffen, worden geteeld of gefokt.

Want...



Volgende pagina: Biologisch-dynamische Landbouw