Gezonde voeding!

De kwaliteit van ons voedsel

Bio is ‘in’. Steeds meer mensen hebben hun bedenkingen gekregen bij de aanwezigheid van (residuen van) schadelijke stoffen in onze voeding. Ook het veelvuldig toevoegen van chemische bewaar-, kleur- en smaakstoffen aan voedingsmiddelen en de onduidelijkheid omtrent de gevolgen van het gebruik van genetisch gemanipuleerde organismen in onze voeding roepen vele vragen op. Eén en ander brengt consumenten ertoe over te schakelen naar levensmiddelen die van gecertificeerd biologische of ecologische kwaliteit zijn.

Hoe positief deze ontwikkeling ook is, er is hierdoor toch een wat eenzijdige kijk ontstaan op het vraagstuk van voeding en gezondheid. Het ontbreken van schadelijke stoffen in ons voedsel (je hoort wel eens het woord ‘onbespoten’ vallen) is namelijk niet voldoende om van volwaardige voeding te kunnen spreken. We vragen ons vaak alleen maar af wat een voedingsmiddel niet mag bevatten, maar minstens zo belangrijk is de vraag wat het wél moet bevatten.

De natuurwetenschap heeft ons in dat verband geleerd om te denken in termen van bouwstenen of componenten, die bij chemische analyse van een voedingsmiddel gevonden kunnen worden. Van alleen maar eiwitten, vetten, koolhydraten, mineralen en vitamines kan een mens echter niet leven, in ieder geval niet gezond blijven zoals verderop zal blijken. Die componenten of ‘primaire voedingsstoffen’ zijn natuurlijk wel belangrijk, maar ze vertegenwoordigen in het voedsel eigenlijk alleen het aspect ‘vulling’. Wat een voedingsmiddel echt tot een levensmiddel maakt, is de levende samenhang van die componenten.

We kunnen dit vergelijken met een schilderij, dat uit een compositie bestaat en niet alleen uit verf van verschillende kleuren. Zonder het scheppend vermogen van een schilder ontstaat uit die verf nooit een schilderij. Zo is ook de kwaliteit van een levensmiddel niet alleen bepaald door de materie die erin zit, maar mede door de levenskrachten van het organisme (plant of dier) waar het levensmiddel van afkomstig is. Er bestaan enkele wetenschappelijke methodes om die levenskrachten te onderzoeken, zoals de kristallisatiemethode van Pfeiffer en meer recent de biofotonenmeting.

Maar ook aan een praktisch voorbeeld kan al veel duidelijk worden. Een kropsla heeft, gerekend vanaf de zaai, in normale, gunstige omstandigheden in de volle grond acht à negen weken nodig om ‘volwassen’ te worden. Onder industriële omstandigheden lukt dat met kunstmest al in vier à vijf weken. Aan verschillende dingen is echter af te lezen dat zo’n industrieel geteelde sla maar weinig levenskracht heeft. Hij wordt makkelijk aangetast door allerlei parasitaire organismen (insecten, schimmels, bacteriën…) en moet daar kunstmatig (meestal met chemische middelen) tegen beschermd worden. Zo’n kropsla blijkt dan, als hij niet geoogst wordt, vaak ook niet in staat te zijn om zich voort te planten door kiemkrachtig zaad te vormen. Ook voor ons mensen kan zo’n sla geen volwaardig levensmiddel zijn.

Als het om vleesvoeding gaat, is het begrijpelijk dat het dier waar het vlees van afkomstig is, zelf goed voedsel moet hebben gekregen. Het is echter daarnaast voor de voedingskwaliteit van vlees ook van belang dat het dier ‘een goed leven heeft gehad’. Dat houdt o.a. in: voldoende buitenloop en levensruimte, en geen preventief gebruik van antibiotica.

Er hangt voor onze gezondheid erg veel af van de manier waarop planten en dieren die ons voedsel verschaffen, worden geteeld of gefokt. We willen daarvan nog een ander aspect belichten, dat niet voldoende onderkend wordt. Een oud Chinees spreekwoord luidt: “De beste dokter staat in de keuken” en van Hippocrates, de grondlegger van de westerse geneeskunde, stamt de bekende uitspraak: “Laat voeding je geneesmiddel zijn”.

We mogen deze beweringen echt heel serieus nemen. Om de draagwijdte ervan op het spoor te komen, kunnen we ons de volgende vraag stellen. Hoe komt het dat voedingsgewassen die zonder kunstmest en onder de juiste omstandigheden biologisch worden geteeld, in staat blijken om op eigen krachten hun belagers af te weren, tegenslagen en zelfs ziektes te overwinnen? Dat komt doordat vitale planten behalve de hierboven al genoemde ‘primaire voedingsstoffen’ (eiwitten etc.) ook afweerstoffen aanmaken, de zgn. ‘secundaire metabolieten’ zoals fenolen, flavonoïden, salvestrolen en antioxydanten.

Terwijl we in onze voeding (residuen van) chemische bestrijdingsmiddelen kunnen missen als kiespijn*, heeft ons organisme juist grote behoefte aan deze ‘secundaire metabolieten’. Die zijn namelijk nodig om onze eigen immuniteit tegen ziektes en onze afweer tegen o.a. kanker, kortom onze veerkracht en daarmee onze gezondheid op peil te houden. Als we de keuze maken tussen gangbaar of organisch geteeld voedsel, dan snijdt het mes dus aan twee kanten!

De zeer complexe samenhangen tussen voeding en gezondheid zijn nog lang niet geheel doorgrond. Maar de volgende conclusie kunnen we toch alvast formuleren. Het is beslist niet erg om af en toe eens gangbaar geteeld voedsel te eten, bijvoorbeeld als we bij vrienden zijn uitgenodigd of in een stad geen biologisch restaurant aantreffen. Maar als bijna alles wat we eten, niet biologisch is, lopen we het risico onze gezondheid op de lange duur ernstig en misschien zelfs onomkeerbaar te ondermijnen.

* Pesticiden en insecticiden zijn niet alleen levensvijandige, lichaamsvreemde stoffen die moeilijk zijn af te breken, ze sturen bovendien onze hormonenhuishouding in de war en kunnen via die weg onze lichaamsfuncties ernstig verstoren.



Volgende pagina: Gezonde landbouw